1

De aardmuis (Microtus agrestis) is een knaagdier uit de onderfamilie der woelmuizen. Het is een algemene soort in Europa en Centraal-Azië.

Kenmerken

De aardmuis is iets groter dan de veldmuis. Hij heeft een donkere, ruige vacht, bruinig grijs aan de bovenzijde, grijs aan de buikzijde, nek en poten en de flanken hebben soms een roomkleurige glans. Kleurafwijkingen komen regelmatig voor. De binnenzijde van de oren zijn ook behaard. In februari en in oktober/november valt de rui. 's winters heeft de soort een dichtere vacht dan 's zomers. Tussen populaties bestaan grote verschillen. Zo zijn noordelijke dieren groter en donkerder dan zuidelijke.

Hij wordt 78 tot 135 millimeter lang en 14 tot 50 gram zwaar. De staart is 18 tot 49 millimeter lang, ongeveer dertig procent van de kop-romplengte.

Verspreiding en leefgebied

Aardmuizen leven in ruige graslanden, weiden, bosranden, jonge bloomplantages, open bossen, in duinen en in bergen, zolang er voldoende hoog gras is. In de Alpen komt hij tot op 1900 meter hoogte voor. De aardmuis heeft een voorkeur voor vochtige streken, zij niet zo vochtig als de noordse woelmuis.

De aardmuis komt voor in Europa en Centraal-Azië, van Frankrijk, Groot-Brittannië en Scandinavië tot Mongolië en China. De aardmuis komt niet voor in Ierland, Italië ten zuiden van de Alpen en op de Balkan. Op het Iberisch Schiereiland komen ze enkel voor in het noorden.

Gedrag

De aardmuis eet voornamelijk gras en kruiden. 's Winters knaagt hij ook aan boomschors, tot op 15 centimeter boven de grond. Dierlijk materiaal, voornamelijk vliegenlarven, wordt zeer zelden gegeten. Een aardmuis eet dagelijks zo'n 30 gram.

Het dier is zowel overdag als 's nachts actief, maar is voornamelijk in de schemering te zien. 's Zomers is de aardmuis voornamelijk 's nachts actief. Hij bewoont een ondergronds gangenstelsel, die bovengronds doorlopen in looppaadjes door het gras. Ondergronds, aan de basis van een graspol, bouwt een vrouwtje een bolvormig nest van fijngescheurd gras.

Aardmuizen leven in woongebieden van 100 tot 1000 m². Het woongebied van een mannetje is tweemaal zo groot als dat van een vrouwtje. Vrouwtjes zijn niet-territoriaal, hebben overlappende woongebieden en leven soms in groepjes. Mannetjes zijn daarentegen wel territoriaal, solitair en polygaam.

Voortplanting en bedreiging

Aardmuizen kunnen zich vrij snel voortplanten, waardoor populaties snel kunnen groeien. Van maart / april tot september worden de meeste jongen geboren, maar jongen kunnen het hele jaar door geboren worden. Het vrouwtje krijgt om de één à twee maanden, zo'n twee tot zeven keer per jaar, een nest van 3 tot 6 jongen. De draagtijd duurt 18 tot 20 dagen. In gevangenschap zijn nesten bekend van wel negen jongen.

De jongen worden kaal geboren, maar krijgen vrij snel een vacht, die donkerder is dan de vacht van volwassen aardmuizen. Bij de geboorte wegen ze ongeveer twee gram. Enkel het vrouwtje zorgt voor de jongen. De jongen worden zo'n 14 dagen gezoogd. Vrouwtjes zijn na 28 dagen geslachtsrijp, mannetjes na 40 dagen.

De aardmuis wordt maximaal twee jaar oud, maar de meeste dieren halen de tweede herfst niet. Veel roofdieren en roofvogels eten aardmuizen. Aardmuizen zijn echter snelle renners en vluchten bij gevaar vrij snel hun holen in.

De omvang van de populatie ondergaat in sommige gebieden een cyclus van 3 à 5 jaar. Op de piek van de populatiecyclus kunnen de aardmuizen plagen vormen, die schade toebrengen aan landbouwgebieden. Hiermee samenhangend wisselt ook de omvang van de roofdierpopulaties.